home

openbare ruimte

beelden

tekst

contact

atelier

Opdrachten
Tentoonstellingen
Publicaties
Tekst

Wirklichkeit und Abstraktion
Einführung Ausstellung

Annette Kanzenbach

 
Eigen Huis & Interieur / Kunst/Galerie

Jack Meijers

 

De beelden van Dorothé Jehoel
Vervreemdende eenlingen in de openbare ruimte

Florette Dijkstra

 

Het verbond / Dorothé Jehoel

Pietje Tegenbosch

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dorothé Jehoel und Francine Schrikkema
Wirklichkeit und Abstraktion
Landesmuseum Emden
30. Mai – 15. August 2010
Einführung von Annette Kanzenbach

Nun zu den Bildwerken von Dorothe Jehoel. Die 1950 geborene Künstlerin studierte Bildhauerei an der Kunstakademie in s’Hertogenbosch in Brabant, wo sie auch heute noch lebt und arbeitet. Dorothe Jehoel schaut auf eine reiche Ausstellungstätigkeit zurück, auch wenn diese sie bislang noch nicht nach Ostfriesland oder überhaupt nur nach Norddeutschland führte. In vielen Orten der Niederlande sind ihre Arbeiten sehr gegenwärtig -  denn Großplastik für den öffentlichen Raum ist eines der Hauptarbeitsgebiete der Künstlerin. Man begegnet ihren Werken in Alkmaar, Leiden oder Drunen, um nur drei der mehr als 30 Orte zu nennen.

Auch Dorothe Jehoel setzt sich sehr intensiv mit der sichtbaren Welt auseinander. Aber auch sie sucht nicht die realitätsnahe Abbildung, sondern eine ausdruckstragende Formvereinfachung, für die ihr - die Maschinenwelt eine wichtige Inspirationsquelle ist. Eine andere ist die Umgebung, zu der sie einen belebend wirkenden Kontrast sucht. So begegnen uns ihre Skulpturen nicht selten als fremdartige Einzelgänger an einem unerwartetem Platz, was unsere Aufmerksamkeit für diese Eindringlinge ebenso wie für deren Umgebung schärft, in die sie wie zufällig hineingeraten zu sein scheinen.

Sofern Sie schon Zeit für einen Rundgang hatten, werden Sie auch in den Pelzerhäusern kaum eine Skulptur dort entdeckt haben, wo man sie für gewöhnlich erwartet, nämlich auf einem Sockel, der sie heraushebt, isoliert und zelebriert. Anders hier - die Skulptur Juri etwa hat ihren Platz - auf der Galerie im 2. Stock - weit oben an der Wand gefunden.

Der Titel spielt auf einen in den Niederlanden sehr bekannten Turner an. Doch auch ohne dieses Wissen nehmen wir in dem Zusammenspiel aus geometrischen Formen, die nur knapp eine Stange berühren, und eine Instabilität wahr, die schwungsvolle Bewegung suggeriert und zum Nachspüren der so gar nicht statisch erscheinenden Figuration einlädt. Und was bei dieser Skulptur dann auch noch wie schwerer weißer Marmor aussieht, ist tatsächlich leichter weißer Kunststoff, ein Überraschungsmoment, das manches ihrer Bildwerke birgt.

Auch Arcimboldo haben Sie sicherlich schon entdeckt, diese grelle grüne Skulptur im 1. OG, die sich die Wand empor zu bewegen scheint. Sie darf mit ihrer Platte gern als ein Tisch wahrgenommen werden, wie es ein zweiter Bildtitel sagt, der aber gerade damit auch den verfremdenden Kunstcharakter betont. Dann ist auch noch die leuchtende Farbbeschichtung hoch glänzend poliert, was die drollig erscheinende, bewegte Trägerfigur in Abhängigkeit von Lichteinfall und Blickwinkel immer wieder zu verändern scheint.

So wie es die beiden genannten Bildwerke erleben lassen, ist vielen Werken von Dorothe Jehoel ein spielerischer Charakter eigen, der mit einer dekorativen Wirkung einhergeht, die die Künstlerin sehr bewusst zulässt. Für sie muß ein Kunstwerk nicht durch sichtliche Gedankenschwere die Aufmerksamkeit des Betrachters erreichen wollen. Deshalb verbildlichen ihre Skulpturen oft heitere Charaktere, die ihre Ausdruckskraft aus der Irritation der Erwartungshaltung ziehen.

Welcher Reichtum an Ausdruckwerten selbst Dorothe Jehoels ganz einfachen abstrakten Gebilden innewohnt, machen die Asteroiden deutlich, die sich eine Wand im Pelzerhaus 12 erobert haben. Neben der Form sind Material, Farbe und Oberflächenbehandlung wichtige Ausdrucksträger, die die jeweilige Ausstrahlung bestimmen können.

Anders – nämlich gleich -- in Größe und Material - zeigen sich die Skulpturen aus der Folge „Kleine Geologie“, über die Sie - jetzt im buchstäblichen Sinne – vielleicht schon beinah im 2. Obergeschoß des Hauses gestolpert sind. Auch vor diesen - wie Steine herumliegenden - Skulpturen stellen sich vielfältige Assoziationen ein, die in die Wirklichkeit zurückführen, konkret etwa menschliche Eigenschaften assoziieren lassen. Man mag an die Bausteine unserer Erde denken, was im Einklang mit dem dunkeln, stark geäderten Marmor steht, der die Kräfte der Natur erahnen läßt. Neugierig macht aber auch die perfekt geformte, geglättete Oberfläche, die keine Spur eines menschlichen Arbeitsprozess zeigt. Und obgleich die Skulpturen in Wirklichkeit sehr schwer sind, erscheinen sie so leicht, dass man befürchten könnte, die geringste Störung bringt sie in Bewegung.

Die durch Abstrahierung von der sichtbaren Wirklichkeit - von Dorothe Jehoel und Francine Schrikkema - gefundenen Verfremdungen und Vereinfachungen sind es, die dem Betrachter die Freiräume eröffnen, sich mit der eigenen subjektiven Erlebniswelt in die Betrachtung der Werke einzubringen oder daran anzuknüpfen. Die Möglichkeit ist einer der Gründe, weshalb wir abstrakte Kunst so schätzen, und einer der Gründe, weshalb es so schwierig bzw. unmöglich ist, diese Kunst mit Worten allgemeingültig zu beschreiben. Und genauso wenig will es bei der malerischen Abbildung der sichtbaren Wirklichkeit gelingen. (Hier spricht die Subjektivität des Künstlers zur Subjektivität des Betrachters.) –
Ich wünsche Ihnen eine spannende Begegnung mit den Kunstwerken.

Annette Kanzenbach

terug neer menu

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vervreemdende eenlingen in de openbare ruimte

Sommige beelden in de openbare ruimte kent iedereen, zoals het beeld ‘Shuffle’ langs de A59 bij Drunen, een grote lus waarin een driehoek balanceert, stoer en tegendraads in zijn eenvoud en omvang. Het is zo’n beetje het herkenningssymbool van de gemeente Drunen. Toch weet bijna niemand wie het kunstwerk heeft gemaakt. ‘Shuffle’ is een werk van Dorothé Jehoel. Haar beelden zijn geliefkoosde vreemdelingen geworden in de Nederlandse stedelijke en landschappelijke omgeving.

In het atelier van Dorothé Jehoel (Drunen, 1950) waan je je in een professionele eenpersoonsmachinefabriek. Met draaibanken van diverse formaten, een reusachtige boorkolom, een zelfgebouwde spuitinstallatie en andere gespecialiseerde apparatuur, maakt ze de proefmodellen van haar beelden. Zo weet ze direct of haar ontwerpen technisch uitvoerbaar zijn. Haar ogenschijnlijk eenvoudige beelden bestaan vaak uit aan elkaar gemonteerde ronde vormen, zoals schijven, bollen en segmenten daarvan, waartegenover contrasterende elementen worden geplaatst. De beelden zijn daardoor niet alleen in dialoog met hun omgeving, maar ook met zichzelf. ‘Ik ben altijd puur met vorm bezig, met vormen die invloed op elkaar uitoefenen, zoals tegengestelde vormen die niet zonder elkaar kunnen. Mijn beelden zijn vaak twee-eenheden van opzichzelfstaande vormen die afkomstig lijken te zijn uit de industriële wereld, alsof ze daarin ooit een functie hebben gehad.’
De beelden van Jehoel zijn vervreemdende eenlingen die opzichtig staan geplaatst voor een kantoorgebouw, op een rotonde of in een winkelstraat. ‘Traditionele beelden hebben meestal een achterkant, maar mijn beelden worden van alle kanten bekeken,’ vertelt ze. ‘Als je bijvoorbeeld een beeld ontwerpt voor een rotonde houdt je daar rekening mee. Een rotonde is een heel dynamische plek en een beeld krijgt in zo’n situatie vanzelf ook beweeglijkheid. Ik zorg er daarom voor dat mijn werk er van alle kanten anders uitziet. Het is bepaald niet eenvoudig om elk aanzicht verrassend te maken.’

Alles wat vreemd is, is kwetsbaar en dus hebben beelden in de openbare ruimte een pantser nodig. De maker van het beeld kan kiezen voor een harnas of een doorzichtig hemdje, hij kan een massief beeld op een sokkel plaatsen als contrast met een drukke omgeving, of het werk heel licht en open houden en laten vervloeien met de omliggende ruimte. Die wisselwerking met de context bepaalt de vorm en inhoud van het werk. Maar een beeld roept ook persoonlijke associaties op bij de beschouwer. Daarin kan een kunstwerk dat voor zoveel voorbijgaande blikken bestemd is, zijn intimiteit vinden.
Een sokkel kan een beeld prestige en bescherming bieden. De beelden van Jehoel kunnen echter goed zonder. ‘Een beeld moet staan alsof het uit de hemel gevallen is, alsof het daar, op die plek, toevallig is terechtgekomen. Daarom maak ik nauwelijks gebruik van sokkels of plateaus. Een beeld moet “op eigen benen kunnen staan”. Mijn beelden hebben altijd massa, wat niet hoeft te betekenen dat ze statisch zijn. Een beeld dat nauwelijks de grond raakt, wordt vanzelf een beweeglijk beeld.’

Dorothé Jehoel maakt vaak beelden in felle kleuren. Kleur bepaalt voor een groot deel de uitstraling van een beeld, maar toch is dat bij Jehoel een bijkomstigheid. De keuze voor een kleur gebeurt puur associatief. Glanzend lakwerk bewerkstelligt een krachtige, soms afstandelijke uitstraling: het weerspiegelt de omgeving en werpt harde schaduwen (af ?). Een beeld in brons daarentegen is dof en geeft zachtkorrelige schaduwen (af ?), waardoor het een mysterieuzer uitstraling krijgt. Voor de Kamer van Koophandel in Alkmaar maakte Jehoel het bronzen beeld ‘Mercurius’: een merkwaardig handelaartje, zo weggelopen uit Alice in Wonderland, balancerend op een bolvormig lijf, het hoofd loodzwaar door zijn grote hoed waaraan twee organische vormen (vermoedelijk zijn koophandel) bengelen.
Dat organische lijkt steeds meer op de voorgrond te treden. In het werk van Jehoel is een ontwikkelingslijn te zien van organische vormen via geometrische constructies naar twee-eenheden van contrasterende vormen, om tenslotte weer uit te komen bij beelden met een organische uitstraling. Haar laatste werken roepen associaties op met microben, plantaardige groeivormen en fantasiewezens.

Bij een opdracht voor de gemeente Geertruidenberg mocht Dorothé Jehoel zelf de locatie voor een beeld kiezen. Het maken van een beeld op het water was een wens die niet eerder kon worden vervuld en dus koos ze voor de vijver. Het werk ‘Watervrees’ bestaat uit twee met elkaar versmolten kunststofbollen die associaties oproepen met waterdruppels en microben. Een van de bollen lijkt uit elkaar te spatten of zichzelf te vermenigvuldigen. De bollen zijn gemonteerd op een conische bak die de illusie geeft op het water te dobberen, maar in feite vaststaat in de ondergrond. In ‘Watervrees’ heeft Jehoel het leven in en om het water verbeeld. Dat alles met een grote speelsheid en beweeglijkheid: elementen die kenmerkend zijn voor al haar werk, zoals voor het bronzen beeld ‘Libera me’. De gemeente Schoonhoven had Jehoel de opdracht gegeven een monument met het thema onderdrukking te ontwerpen, maar ze transformeerde haar beeld tot een bevrijdingsmonument. ‘Libera me’ bestaat uit een tolvorm die zich lijkt te ontworstelen aan een onbeweeglijk massief blok, zoals je je kunt voorstellen dat een standbeeld uit zijn bevroren houding tot leven wil komen om voorgoed weg te lopen van zijn sokkel. Over haar verhouding tot sokkels zegt ze heel concreet: ‘Een beeld moet niet op een sokkel staan maar moet als het ware de sokkel in zich dragen.’

Dorothé Jehoel beschikt inmiddels over een databank aan vormen die ze wellicht een keer zal toepassen. ‘Een opdracht geeft altijd aanknopingspunten voor de vorm van een beeld. Door de eisen die een opdracht stelt, kom je tot oplossingen waartoe je bij vrij werk niet zou komen. Elk beeld ontwerp ik voor een bepaalde situatie, dus een bepaalde vorm kan ik niet zomaar weer ergens anders toepassen. Sommige beelden werken alleen goed als ze op een zekere plek een bepaalde grootte hebben. Een groot beeld is goed als het ook een klein beeld kan zijn.’

Haar meest recente werk maakte Dorothé Jehoel in opdracht van waterschap de Brabantse Delta voor de Rioolzuiveringsinstallatie Dongemond te Oosterhout. Op een golvend terrein bij het zuiveringsbedrijf staat ‘Saltimbanque’, een grote blauwe bol die associaties oproept met een water- of destillatievat waaraan uitsteeksels gemonteerd zijn die doen denken aan waterbuizen of waterslangen. ‘Het kunstwerk gaat als vreemde gast in dit landschap vriendelijk en subtiel in dialoog met de omgeving.’ zegt Jehoel in een toelichting bij het beeld. ‘Zoals het waterschap met een hoogtechnologische inbreng een natuurlijke balans met de natuur nastreeft, zo zoekt het kunstwerk een zo natuurlijk mogelijke verhouding tot de omgeving, als was het op zoek naar haar natuurlijke biotoop.’ Met de wisseling der seizoenen zal het beeld een ander aanzien krijgen, opgenomen als het is in de veranderlijke natuur.

Brabant Cultureel nr. 5/6

terug neer menu

 

 

 

 

Het Verbond

Op een eenvoudig betonnen bankje - dat zo weggehaald zou kunnen zijn van een stenig plein in de grote stad – liggen drie kussens van gietijzer. Roestvorming heeft de kussens een warm roodbruine kleur gegeven. De kussens liggen slap op de bank, alsof hun vulling is ingezakt en daarmee hun oorspronkelijke stoere bolle vorm is verworden tot een lege huls. Bij het linker kussen piept een puntje over de rand van de bank, terwijl het middelste er al wat verder overheen hangt. Het derde kussen lijkt wel van de bank af te glijden door de geplooide hoekflap die zich vol overgave aan de zwaartekracht gewonnen dreigt te geven.

Vabanque, 1983, is een vroeg werk van Dorothé Jehoel. Het beeld laat de invloed zien van de artistieke context waarin Jehoel zich als beeldhouwer aan het begin van haar carrière bevindt. Tegelijk lijkt deze sculptuur al vooruit te grijpen op haar latere ontwikkeling. De titel Vabanque zou je kunnen vertalen als, ‘Nou goed dan, een bank’, en verraadt een weifelende toenadering tot het gebruik van elementen uit de werkelijkheid – figuratie - in haar abstracte beelden. Die aanvankelijke aarzeling is in het meest recente werk van Dorothé Jehoel uitgegroeid tot een innige omhelzing. Zowel in haar vrije werk als in de beelden die ze maakt in het kader van opdrachten, getuigen haar objecten van inspiratiebronnen als machines, onderdelen van apparaten, industriële materialen en producten. Soms is er zelfs sprake van expliciete verwijzingen naar de menselijke figuur, zoals in het bronzen beeld Haasje over, uit 2002, waarbij een koddige, samengestelde vorm die lijkt op een Michelin-mannetje parmantig over een gestileerde boon springt. Steeds nadrukkelijker vormen die realistische motieven de aanleiding om de formele aspecten van haar beeldhouwkunst – waarin vorm altijd een hoofdrol speelt – te onderzoeken.  
Als Jehoel in 1974 afstudeert aan de afdeling beeldhouwen van de Koninklijke Academie voor Kunst en Vormgeving in Den Bosch doet de roep van de Amerikaanse minimal art zich ook in Europa volop gelden. De vloeren van de musea zijn bedekt met de stalen vloertegels van Carl André, en ook de objecten van Donald Judd, de lichtsculpturen van Dan Flavin en de ruimtelijke, mathematische constructies van Sol Lewitt zijn toonaangevend op internationale tentoonstellingen.

De voorliefde van de minimal art voor eenvoudige, geometrische vormen, zoals rechthoeken, vierkanten en kubussen, is herkenbaar in de eerste objecten die Jehoel na haar eindexamen maakt. Ook de sequensen, de heldere structuur waarin de geometrische vormen zich doorgaans herhalen, zijn aanwezig. Haar beelden zijn gerelateerd aan de menselijke maat en gaan, mede door het feit dat ze het zonder een klassieke sokkel moeten stellen, een directe relatie aan met de ruimte waarin ze zich bevinden.
Jehoel had op de academie, vooral dankzij haar docent Frans Peters, ruimschoots geëxperimenteerd met kunststoffen. Haar vormentaal van strak gepolijste, ronde, organische vormen, soms met afgeplatte kanten, leende zich daar uitstekend voor. Bovendien werkte ze graag met kleur. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig stapt ze echter (tijdelijk) over op robuustere materialen als brons en ijzer. Jehoel is niet geïnteresseerd in een subjectieve expressiviteit en is wars van symboliek of literaire verwijzingen. Net als haar leermeesters wijst ze iedere vorm van mimesis af. Ook zij is de mening toegedaan dat kunst alleen naar zichzelf dient te verwijzen.
Toch zit er een addertje onder het gras. Een vroeg werk als Vabanque is enerzijds weliswaar een exponent van de tijdgeest, anderzijds speelt het bankje ook een intrigerend spel met het strenge erfgoed van haar artistieke vaders. Want de roestbruine kussens mogen dan misschien op een Carl André lijken, háár kussens zijn wel van het slappe soort, en al is er in al het werk van Jehoel uit deze periode sprake van series en sequensen, toch is het bankje vooral ook een sokkel en daarmee een kritisch commentaar op dat wat haar omgeving haar te bieden had. Wat bijvoorbeeld te denken van de associatie met leer die de rulle huid van het gietijzer van de drie kussens oproept? Of van de lichamelijkheid die uit het liggen van de kussens spreekt? De magie van de bank van Jehoel is gelegen in de onderhuidse spanning die de opstand tegen de voorgaande generatie kunstenaars in dit stadium van haar ontwikkeling teweeg brengt.

Van meet af aan is het keurslijf van de regels van het minimalisme Dorothé Jehoel in feite te strak en lijkt ze over de schouders van de vaders naar het werk van klassiek moderne grootvaders als Hans Arp, Henry Moore, Barbara Hepworth of Anthony Caro te lonken, met name als ze zich laat meeslepen door haar liefde voor ronde, organische vormen. Jehoel is geïnteresseerd in klassiek beeldhouwkunstige principes. Zo heeft ze altijd een fascinatie gehad voor hangende vormen die ze naar believen kan laten uitstulpen of indeuken. In 1974 maakt ze een werk, Hanger, dat bestaat uit een roestige paal – gebaseerd op het concept van een geabstraheerde tak – met daaroverheen hangend een bolle, gladde flap van witte kunststof. De weke vorm en de bleke kleur van de flap contrasteren met het ongenaakbare van de stalen paal. Tegelijk voegt de vorm zich helemaal naar die drager. Jehoel kreeg het idee voor dit beeld toen ze bij haar dagelijkse wandeling met de hond een boom zag waarvan de bast zich om een stuk prikkeldraad had gevormd. De invloed van een hard, artificieel element op de natuur intrigeerde haar. 
Rond 1983 is het werken met organische vormen uitgeput en gaat Jehoel op zoek naar een andere beeldtaal. In de periode daarvoor maakte ze veelvuldig gebruik van kunststof en staal, maar ook van klassieke materialen als marmer, hardsteen, gietijzer en brons. Nu begint ze te experimenteren met een combinatie van plaatmateriaal en draad wat resulteert in kleine objecten van zo’n dertig centimeter hoog. Het ongecompliceerde maken, het lassen en in elkaar zetten van losse elementen, en het snelle resultaat bevallen haar. Ook het gebruik van standaard (plaat)materialen stamt uit deze periode. De taal van haar beelden verandert: de tegenstelling wordt een vruchtbaar stijlmiddel. Jehoel stort zich op het componeren, en alweer blijkt het een reactie op de omgeving die in de ban is van Memphis en andere postmoderne benaderingen. Expressie, kleur en decoratie zijn niet langer taboe. Speelse vorm- en stijlcitaten doorbreken de hokjesgeest van het modernisme.

Jehoel doet haar voordeel met de nieuwe vrijheid. Voor haar breekt de periode aan waarin ze haar eerste in een reeks van opdrachten in de openbare ruimte realiseert. Ze blaast haar kleine werken als het ware op tot grote formaten en probeert ook binnen die proporties het speelse karakter van haar kleine composities te behouden. De buitenbeelden van Jehoel - zoals bijvoorbeeld Twist uit 1986, een beeld dat aanvankelijk in Rotterdam stond, vlakbij de paalwoningen van Piet Blom, en later werd verplaatst naar Helmond - zijn meestal opgebouwd uit verschillende elementen die elkaar raken, op elkaar leunen en vaak ook doorkruisen. Piramidevormen, cilinders, bochtvormen, al dan niet versierd met uitsteeksels leveren een geheel op dat een ode lijkt aan het spelen met vorm. Meestal lijkt het alsof ze toevallig terecht zijn gekomen op de plek waar ze staan, zomaar achtergelaten. Niet altijd zijn deze grote werken van kleurig staal, soms zijn ze ook van hardsteen (Square dance, 1989), van brons of zelfs van hout (Erato,1988).

Eind jaren tachtig keert ze terug naar meer organisch ogende beelden, opnieuw in staal en vaak gemaakt van bestaande onderdelen uit de industrie. Zo gebruikt ze ‘bochten’ in combinatie met geometrische vormen. Kleur speelt een ondergeschikte rol en is over het algemeen gebaseerd op intuïtieve keuzes. In 1993 ontstaat het eerste beeld, It crossed my mind, dat Jehoel helemaal op de computer heeft voorbereid in de vorm van een exacte tekening. Het is een complexe constructie van een donker dubbel kruis met een knalrode dubbele kegel, waarbij beide vormen zichtbaar moeten blijven. Alleen met behulp van de computer lukt het om het beeld te maken zoals het haar voor ogen staat. Anders dan de meeste van haar werken heeft dit beeld een platte, ronde schijf als sokkel, alsof het ingewikkelde van de constructie geïsoleerd moest worden van al te veel ruis uit de omgeving. Vaak blijft het bij computertekeningen in deze tijd en het is alsof ze in die tekeningen haar fascinatie voor vorm kan botvieren. Als ze in 1997 voor drie maanden naar Spanje vertrekt om daar te werken stopt het tekenen. 

Het verbond met de voorvaders krijgt een nieuwe dimensie als Jehoel, in de loop van de jaren negentig, steeds explicieter kiest voor een concreet uitgangspunt voor haar beelden. Dat wil zeggen dat de meest onooglijke en alledaagse elementen en vormen in haar omgeving aanleiding kunnen zijn om een stroom aan beeldende associaties in gang te zetten. Haar werk toont in deze periode verwantschap met dat van generatiegenoten als de Nederlandse beeldhouwer Peer Veneman of de Amerikaan Saint Clair Cemin.
Het werk van Veneman, die ooit de opmerking maakte dat hij gewoon weer iets op die tegels van André wilde zetten, is illustratief voor een postmodern vrijheidsgevoel. Ook Jehoel wordt aangeraakt door dat gevoel dat de hele wereld de kunstenaar in principe ter beschikking staat. Dat uit zich in een associatief gebruik van vormen die zich niet direct laten verklaren. Nu eens geven heldere, felle kleuren profiel aan volume en vorm. Maar de beelden kunnen ook monochroom van kleur zijn zoals in het werk Klis, uit 1992, een prikkelbol van brons die in een symbiotische verhouding staat tot een rechthoekige vorm waarvan het midden is uitgespaard. Staan en leunen gaan hier naadloos in elkaar over, net zoals de geometrie van de rechthoek zijn weerbarstigheid verliest onder de stekelige prikkels van de klis. De geometrie wordt als het ware verleid door de rijkdom aan decoratieve vormen uit de natuur. Jehoel laat de voorvaderen als het ware in een nieuw verbond bij elkaar komen.

De synthese van vormen (en tijdgeesten) leidt tot een eruptie van kleine wandobjecten, gemaakt van geanodiseerd  aluminium. Schroeven, tollen, doppen, deksels, kegels, gewichtjes, het worden allemaal beelden die als juwelen hangen te glanzen aan de wand. Het zijn kleine vormen die je stuk voor stuk vast wil pakken om ze om en om te draaien in je hand.  En, anders dan de zware hardstenen beelden of de meer lichamelijke, bronzen werken, hebben deze objecten, uitgevoerd in alle kleuren van de regenboog, en ook in goud of zilverkleurig aluminium, een feestelijke lichtvoetigheid. Stralen en verleiden lijkt het motto van deze beelden. Bij elkaar op een wand zijn het planeten die samen een eigen, kostbaar sterrenstelsel vormen.
Dorothé Jehoel gaat verder, ‘ze gaat’, althans volgens sommigen, ‘barok!’ Een van haar meest recente werken is een wandtafeltje. Het is giftig geelgroen en bestaat uit een ronde schijf die wordt gesteund door een bol waar vier ‘pootjes’ uitsteken, twee omhoog en twee omlaag. Die pootjes (die de fysieke uitstraling hebben van een bokshandschoen)  bestaan uit een bolle ovaal, die via twee ringen verbonden is met de grote bol. De bovenste twee pootjes dragen het tafelblad, de onderste twee maken dat de bol tegen de wand leunt. Het beeld heeft als titel Arcimboldo, een ondubbelzinnige verwijzing naar Giuseppe Arcimboldo (1527-1593), de Italiaanse kunstenaar die zijn reputatie dankte aan de serie portretten die hij samenstelde uit de meest uiteenlopende objecten, van vruchten, bloemen en groenten tot boeken, geweerlopen en edelstenen. Tussen Vabanque en Arcimboldo loopt een stevige draad, die de abstracte beeldhouwkunst van Dorothé Jehoel met de realiteit verbindt. 

Pietje Tegenbosch, november 2003

terug naar menu